logo

Recensie van het boek The Holocaust, Israel and ‘the Jew’

23-08-2017 13:28

Terugblik op zeventig jaar Nederlands antisemitisme

De afgelopen jaren kreeg Evelien Gans heel vaak de vraag wanneer zij deel twee zou afmaken van haar tweeluik over Jaap en Ischa Meijer. Gans antwoordde dan dat zij samen met Remco Ensel bezig was met een wetenschappelijke studie over hedendaags antisemitisme in Nederland, en die had voorrang. Een maand voordat Gans in december 2016 met emeriraat ging als hoogleraar Hedendaagse Joodse Geschiedenis, is het grote boek over het antisemitisme inderdaad verschenen. Het Engelstalige The Holocaust, Israel and ‘the Jew’, Histories of Antisemitism in Postwar Dutch Society is een wetenschappelijke triomf, een bijna 600 pagina’s tellende naslagbijbel over diverse vormen van antisemitisme, antisemitische incidenten in Nederland en over de personen en organisaties die antisemitisme wilden bestrijden. 

In zestien hoofdstukken, een voorwoord en een epiloog komen de thema’s voorbij waarin het Nederlandse antisemitisme zich sinds 1945 manifesteert en zich soms ook onderscheidt van de buurlanden. Evelien Gans schreef negen hoofdstukken, Remco Ensel, Annemarike Stremmelaar, Katie Digan en Willem Wagenaar waren verantwoordelijk voor ruwweg de andere helft van het boek. De belangrijkste medeauteur Remco Ensel is docent cultuurgeschiedenis aan de Radbouduniversiteit. Katie Digan werkt aan de Universiteit van Gent en Willem Wagenaar is verbonden aan de Anne Frank Stichting. Turkologe Annemarike Stremmelaar werkt aan de Rijksuniversiteit Leiden. 

In haar introductie laat Evelien Gans zien wat volgens haar antisemitisme is. Zij baseert zich o.a. op de theorieën van de Amerikaanse sociologe Helen Fein en concludeert dat antisemitisme een vorm van fixatie op Joden is, die voortkomt uit negatieve gevoelens als vermeende achterstelling en frustratie. Antisemitisme fungeert als een projectiescherm. Wat het projectiescherm toont in de ogen van de antisemiet, is altijd een variant op een van de klassieke anti-Joodse stereotypen: de Jood als vervuiler, de corrumperende Jood, de Jood die zijn plaats niet kent in de ‘natuurlijke orde’. Maar hoe deze thema’s zich manifesteren is afhankelijk van plaats en tijd. In de periode 1945-2015 verdween het klassieke christelijke antisemitisme grotendeels, om plaats te maken voor twee tijd-en-plaatsgebonden elementen: Israël en de Nederlandse verwrongen omgang met de herinnering aan de Holocaust. Het boek begint met een schets van het antisemitisme dat in de Tweede Wereldoorlog onderdeel was van het dagelijks leven in Nederland. Na hun bevrijding konden de Nederlanders de anti-joodse propaganda niet zomaar van zich afschudden; terugkerende en opduikende Joden merkten hoe diep dit inmiddels ingebrand zat. Iets hiervan bleef sindsdien naijlen. De Jood als willoos slachtoffer van de Holocaust werd in het na-oorlogse antisemitisme steeds meer de Jood die het slachtofferschap zelf over zich heeft uitgeroepen, dan wel het slachtofferschap uitbuit voor eigen gewin. Israël is volgens Gans naast een object van legitieme kritiek ook een focuspunt geworden voor antisemitisme. En voor filosemitisme; de obsessieve, ongezonde apenliefde voor Joden en Israël. 

Israëlkritiek
Er is in zeventig jaar veel antisemitisme voorgekomen in Nederland. Op dit punt voert dit boek een perverse sentimental journey op. Voor Een Ander Joods Geluid is boeiend te weten hoe Ensel en Gans ruimte nemen om Israëlkritiek en antisemitisme dat zich vermomt als Israëlkritiek te onderscheiden. Het is niet het deelonderwerp waaraan zij de meeste ruimte spenderen, maar Gans en Ensel schrijven er wel over en spreken in dit verband van de ‘fatale driehoek’ van antisemitisme, antizionisme en kritiek op Israël. Door hun focus op de afgelopen zeventig jaar laten zij zien dat er altijd Israëlkritiek is geweest – dat de perceptie van Nederland als de grootste vriend van Israël nooit heeft geklopt.

Sinds 1967 werkt Israël als een splijtzwam tussen Joden en niet-Joden en tussen Joden onderling. Heel gedetailleerd laat Evelien Gans zien hoe de oorlog van 1973 en de Arabische boycot leidden tot een verschuiving in de omgang met Israël. Breekpunt was de onthulling, in 1979, dat Nederlandse bedrijven in de jaren zeventig niet-Jood verklaringen wilden hebben om zaken te doen met de Arabische wereld, en dat de overheid dit had gefaciliteerd. Dit leidde tot allerlei activisme in Joodse kring en van niet-Joodse sympatisanten tegen deze niet-Jood verklaringen. Twee van de organisaties die in die jaren ontstonden waren STIBA en CIDI. De Stichting Bestrijding Antisemitisme bestaat niet meer, maar STIBA was de eerste organisatie die vermeend antisemitisme aan de kaak stelde en in de media bracht. In sommige gevallen lukte het zelfs tot een rechtzaak te komen. De norm van STIBA over wat antisemitisme zou kunnen zijn, bleef nog lang in gebruik. De activistische rol van STIBA werd later overgenomen door CIDI – wat CIDI antisemitisch vond en vindt, is voor velen nog altijd de meetlat. Een jongere generatie Joden reageerde in de jaren zeventig en tachtig activistischer dan hun ouders op wat zij meenden dat antisemitische aanvallen waren – en zo ontstond in de publieke opinie een beeld van wat antisemitisch was en wat je wel en niet over Israël mocht zeggen.

Migranten
Hiernaast is er in het boek veel ruimte voor de Israëlkritiek van migranten en in hoeverre deze antisemitisch is. Ensel en Gans besteden een behoorlijk deel van hun boek aan antisemitisme in migrantengemeenschappen. Dit is een politiek en ideologisch mijnenveld. PVV-Kamerlid Fleur Agema maakte zichzelf belachelijk door in 2014 in de Tweede Kamer te beweren dat het antisemitisme in Nederland pas bestaat sinds migranten het importeerden uit de islamitische wereld. Dat is een aantoonbaar onjuiste en absurde bewering. Maar het tegenovergestelde – dat migranten geen antisemitisme kennen omdat het een westers fenomeen is – is eveneens onjuist. In wat wellicht de meest relevante bijdragen aan dit boek zijn, beschrijft Annemarike Stremmelaar de opkomst van het antisemitisme in Turkse kring. Wie wil weten hoe het precies zit met de propaganda op de Turkse televisiezenders, de lange arm van Ankara en de pogingen in eigen kring en van Nederland om een tegenwicht te bieden, moet haar hoofdstukken lezen. Ook Remco Ensels hoofdstuk over het antisemitisme bij Marokkaanse Nederlanders brengt de discussie terug naar waar hij thuishoort: in de feiten. 

Een andere mythe over antisemitisme luidt dat linkse activisten geen antisemiet kunnen zijn, gezien hun anti-racisme. Dat is niet zo, zoals Remco Ensel elders in het boek beschrijft; en het tegendeel, over de rechterkant van het politieke spectrum, klopt evenmin. Alle gemakzuchtige theorietjes worden door de wetenschappers van tafel geveegd. Gans en Ensel hebben geen ideologische agenda, met als consequentie dat vele lezers het op punten niet met hen eens zullen zijn. De nauwgezette research is echter heel overtuigend. 

Alles wat iemand ooit zou willen weten over het na-oorlogs antisemitisme in Nederland, én alles wat ingaat tegen wat hij er zelf over dacht te weten, is in dit boek te vinden – een onontkoombaar naslagwerk. 

Remco Ensel en Evelien Gans (red.): The Holocaust, Israel and ‘the Jew’. Histories of Antisemitism in Postwar Dutch Society. Amsterdam University Press, € 29,-. Zie bijvoorbeeld bol.com voor aankoop van het boek.