logo

Probleemdefinitie van antisemitisme in EU en in Nederland

23-08-2017 17:09

De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen, zegt het spreekwoord. Een goed voorbeeld is de resolutie die het Europees Parlement 1 juni 2017 aannam om de bestrijding van antisemitisme te ondersteunen. In de resolutie waren enkele verstandige wensen van het parlement opgenomen over steun aan nationale organisaties in de EU-landen die zich bezig houden met anti-racistisch onderwijs. Ook vroeg het Europarlement aandacht voor online uitingen van antisemitisme.

Desondanks dienden enkele Joodse organisaties, onder wie EAJG en Jews for Justice for Palestinians (JfJfP) in het Verenigd Koninkrijk, een verzoek in om de resolutie op punten te herschrijven of niet in stemming te brengen. Dit had alles te maken met de door het parlement gebruikte definitie van antisemitisme. Het Europarlement hanteert de definitie van de International Holocaust Remembrance Alliance. Deze IHRA werd in 1998 opgericht door de toenmalige Zweedse premier Göran Persson tijdens een conferentie van Holocaust-wetenschappers in Stockholm, als samenwerkingsverband van 36 staten die het belangrijk vinden dat de Holocaust object van goed onderzoek is. De organisatie geeft subsidies aan wetenschappers en sponsort conferenties. Ook houdt men zich bezig met antisemitisme en hierom heeft de IHRA een definitie van antisemitisme opgesteld – en hier zit het probleem.

De IRHA-definitie definieert antisemitisme als een bepaalde perceptie van Joden die uitgedrukt kan worden als haat, door middel van haatzaaiende tekst of fysiek geweld. Deze haat kan worden geuit tegenover Joden en niet-Joden en hun bezit, alsook tegenover Joodse organisaties en instellingen en andere Joodse ‘collectiviteiten’. Een van die collectiviteiten is de staat Israël.

Bij de definitie zijn enkele voorbeelden gevoegd die verduidelijken hoe de definitie zou kunnen werken als juridisch voorbeeld voor wetgeving, die weer zou kunnen leiden tot strafrechtelijke vervolging. Het voorbeeld over Israël luidt als volgt: het zou niet strafbaar moeten zijn om kritiek op Israël te leveren op hetzelfde niveau van kritiek op andere staten.

Dit klinkt onschuldig, maar is het niet.

Waarom maakten EAJG, JfJfP en de Europese koepel European Jews for a Just Peace zich hier zo druk over? Het ging ons om de onderhandse manier waarop kritiek op Israël strafbaar zou kunnen worden, als antisemitisme. Via een achterdeurtje zou wetgeving op dit punt kunnen worden ingevoerd, of anderszins in de jurisprudentie terecht kunnen komen, die het een vorm van strafbaar antisemitisme maakt om de ‘Joodse collectiviteit’ Israël te bekritiseren. Kan een staat de rechten hebben van een individu of een gemeenschap, en als zodanig gelijk gesteld worden aan een individu? Als deze definitie van antisemitisme wordt aangenomen, wat betekent dit? Wat betekent dit voor de kritiek op Israël, die o.a. geuit wordt in de vorm van BDS, de internationale beweging van Boycot, Divestments and Sanctions tegen de Israëlische bezetting van Palestina?

Is het de bedoeling dat het al dan niet strafbaar zijn van kritiek op Israël in het vervolg wordt getoetst op de mate waarop iemand ook kritiek heeft op andere staten?

Behalve de onduidelijkheid en rommeligheid van de definitie op het punt van kritiek op Israël, zorgt de gelijkschakeling van Joden, Joodse gemeenschappen en de staat Israël ook voor verwarring en onduidelijkheid over wat antisemitisme is. Het echte antisemitisme, de haat en het geweld gericht tegen Joden als individuen en in groepsverband omdat zij Joden zijn, wordt hierdoor politiek gemaakt en gebagatelliseerd. Dit maakt Joden uiteindelijk kwetsbaarder.

Deze definitie is op zich niet bindend, want zij is nergens in de EU in wetgeving verankerd. Maar... de definitie is wel aan een opmars bezig. In Engeland en Oostenrijk hebben allerlei landelijke en locale overheden de definitie aangenomen als richtlijn in de strijd tegen antisemitisme. Juridisch betekent dit vooralsnog niets, maar symbolisch heeft het zeker wel betekenis. En daarom wordt er tegen gestreden, door o.a. de Britse actiegroep Free Speech on Israel, waarin bijvoorbeeld JfJfP vertegenwoordigd is.

Free Speech on Israel vroeg een internationaal jurist advies over wat het aannemen van deze definitie als middel om antisemitisme te bestrijden, nu concreet betekent. De Londense jurist Hugh Tomlinson Q.C. concludeerde dat er vooralsnog geen enkele bindende kracht van uitgaat, en dat hij in tegenspraak is met het huidige Europese recht, als het gaat om kritiek op Israël. Tomlinson stelde zelfs vast dat de staat Israël geen object van antisemitisme kan zijn, in de huidige Britse en Europese wetgeving. Alleen Joden kunnen slachtoffer van antisemitisme zijn. Israëlische Joden dus ook, maar dan voor zover zij om hun Jood zijn worden gediscrimineerd.

Nederland
In Nederland is dit onderwerp inmiddels opgepikt in de Tweede Kamer. Roelof Bisschop van de SGP stelde 8 juni 2017 schriftelijke vragen aan de ministers Asscher en Blok. Aan Lodewijk Asscher, omdat hij als minister van Sociale Zaken verantwoordelijk is voor de bestrijding van antisemitisme en het bevorderen van sociale cohesie. En aan minister Blok als minister van Veiligheid en Justitie. Bisschop vroeg zich in zijn Kamervragen af of de ministers het ook een goed idee vinden om de IHRA-definitie van antisemitisme in Nederland te gaan gebruiken. En, in vraag 4: In hoeverre heeft het aannemen van de internationale werkdefinitie gevolgen voor vormen van antisemitisme die zich richten op joodse collectieven als de staat Israël, zoals het geval is bij de BDS-beweging?

Tunahan Kuzu van de DENK-fractie zag deze vragen en stelde 30 juni 2017 eveneens vragen aan minister Asscher en aan minister Koenders van Buitenlandse Zaken. Kuzu stelde antisemitisme belangrijk te vinden, maar te vrezen voor de vrijheid van meningsuiting, als Nederland de IHRA-definitie zou overnemen. Hij baseerde zich op de protestbrieven van o.a. EAJG. Deelt u de zorgen van joodse vredesorganisaties dat de IHRA-definitie de vrijheid van meningsuiting dreigt in te perken, door de onduidelijkheid die zij creëert over wat wel en niet gezegd kan worden en de vermenging met meningen over de staat Israël, die het gevolg is van deze «voorbeelden van hedendaags antisemitisme» in de toelichting van de IHRA-definitie? Zo nee, waarom niet?

Het derde kamerlid dat vragen stelde was Kirsten van den Hul, de buitenlandwoordvoerder van de PvdA. Zij nam een omweg en vroeg minister Koenders op 10 juli of hij een interview met Hagai El-Ad had gelezen, de directeur van B’Tselem. In dit interview in The Times of Israel waarschuwde El-Ad voor Israëlische inmenging in de antisemitismediscussie in Europa, met als doel om kritiek op de bezetting van de Palestijnse gebieden te laten verstommen. Deelt u de zorgen, zoals geuit door joodse vredesorganisaties en de Britse jurist Hugh Tomlinson, dat de werkdefinitie van antisemitisme die de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) in 2016 heeft aangenomen en sindsdien promoot, het door u gehanteerde onderscheid tussen stellingname ten aanzien van Israël en antisemitisme vertroebelt en daarom, en door onduidelijkheid in de formulering ervan, geen passend en effectief instrument voor overheidsinstellingen is en de vrijheid van meningsuiting dreigt aan te tasten? Zo nee, waarom niet? 

De ministers Blok en Asscher reageerden op 24 augustus met eenduidige antwoorden op de vragen van Kamerleden Bisschop en Kuzu. Lees het antwoord aan Roelof Bisschop en het antwoord aan Tunahan Kuzu.

Roelof Bisschop van de SGP kreeg zijn zin niet. Nederland is weliswaar deelnemer in de Internationale Holocaust Remembrance Alliance, maar gaat de definitie niet hanteren als juridisch bindend, omdat men daar het nut niet van inziet.

Bisschop noemde BDS in zijn vragen een vorm van antisemitisme, gericht tegen Israël. Daar maakte het kabinet korte metten mee: Het kabinet blijft benadrukken dat het van belang is om onderscheid te blijven maken tussen stellingname ten aanzien van het beleid van de Israëlische regering en antisemitisme. Dit is staand beleid dat het kabinet uitdraagt, zowel nationaal als internationaal. De BDS-beweging roept op tot «Boycott, Divestment and Sanctions» als middel om bepaalde doelstellingen te bereiken. Waar die doelen worden nagestreefd binnen wettelijke kaders vallen ze onder de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering. Deze vrijheden zijn onder meer vervat in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Indien er incidenten plaatsvinden waarbij sprake is van discriminerende uitlatingen, haat zaaien, gebruik van of oproepen tot geweld en/of intimidatie, dan neemt het kabinet daar nadrukkelijk afstand van en is het strafrecht van toepassing. 

Het kabinet schreef verder dat het niet nodig is een aparte coördinator voor het antisemitisme op te stellen.

In de antwoorden op de vragen van Tunahan Kuzu benadrukte minister Asscher dat de IHRA-definitie wordt gebruikt in de UK en in Oostenrijk. Op een vraag van het DENK-Kamerlid of de minister de conclusies van Hugh Tomlinson deelde, antwoordde Asscher dat diens analyse niet relevant was, omdat deze betrekking had op de situatie in het Verenigd Koninkrijk, en niet op Nederland. 

De antwoorden op de vragen van Kirsten van den Hul zijn nog niet gepubliceerd.