logo

Moderne slavernij op de Westbank

06-06-2008 16:20

Door Simone Korkus, in Wordt Vervolgd, Juni 2007

De Israëlische Muur heeft industrieparken op de Westbank (deze maand exact veertig jaar bezet) populair gemaakt onder Israëlische ondernemers. Reden: door de enorme werkloosheid zijn duizenden Palestijnen bereid voor een schijntje aan de slag te gaan. Ook als ze ziek zijn. Want de Israëlische arbeidsrechten gelden hier niet. Reportage over moderne slavernij op de Westbank.

Tulkarem, Westbank – Het is zes uur op een grijze ochtend in Tulkarem, een Palestijnse stad op de Westbank. Voor een ijzeren deur in de lange betonnen muur langs de Taybehstraat wachten honderden Palestijnse mannen in overalls, grote plastic boterhamzakken in de hand. Ze stampen met hun voeten en slaan de armen om hun lichaam terwijl hun adem in het licht van de schijnwerper kleine wolkjes maakt. Achter de ijzeren deur ligt het felbegeerde werk bij een van de zeven Israëlische bedrijven in het industriepark met de poëtische naam Nizzane Ha Sjaloom, ‘de kiem van de vrede’.

Nizzane Ha Sjaloom is een vreemd fenomeen. Het ligt tussen de Israëlische snelweg nummer 6 en Tulkarem aan de Palestijnse kant van de afscheidingsmuur, maar iedereen meent dat het Israëlisch is. De zevenhonderd Palestijnse werknemers en een handvol Israëlische opzichters produceren hier karton, plastic onderdelen en pesticiden.

‘Het is beter dan niets’, zucht M. (35) over zijn werk op de kartonfabriek. Hij wil liever niet dat zijn hele naam gepubliceerd wordt. Deze vader van vijf kinderen komt hier zes dagen per week, negen uur per dag, voor een uurloon van zo’n 11 sjekkel (2 euro), ruim 7 sjekkel onder het Israëlische minimumloon. Voor dit salaris werkt M. zich letterlijk uit de naad, want hij is een bevoorrecht mens. ‘Ik weet dat het geen optimale situatie is, maar ik heb tenminste werk. Mijn kinderen studeren en we hebben een dak boven ons hoofd.’

Maar M. is ook bang. Zal zijn baas hem ontslaan als hij loonsverhoging vraagt of te laat komt of ziek wordt? Laatkomers krijgen een week lang geen werk en geen salaris. Zieken worden ontslagen. En dus vraagt hij geen loonsverhoging en werkt hij als hij ziek is, of tijdens Id Al Adha, het islamitische offerfeest. Van vakantie heeft hij nog nooit gehoord.

Zijn tien jaar oudere collega J. heeft aan den lijve ondervonden wat er gebeurt als je protesteert. ‘Ik werk hier al tien jaar in een Israëlische houthandel. We zijn met dertig werknemers en hebben nauwelijks beschutting tegen zon en regen. De fabriekshal heeft geen vloer en in de winter staan we in de modder. Er is geen wc en we mogen niet naar buiten, want die ijzeren deur gaat pas om vier uur ’s middags weer open. Kun je je voorstellen hoe smerig dat wordt met dertig mannen? Toen ik bij de baas protesteerde, werd ik op staande voet ontslagen. Twee weken later belde hij me. Ik kreeg nog één kans, maar dan moest ik wel voortaan mijn bek houden.’

Dus dat doet J. Hij protesteert niet tegen het gebrek aan beschermende werkkleding en hij zweeg toen zijn jonge collega Namer werd ontslagen omdat hij zich per ongeluk met een nietpistool in de buik schoot. Maar J. is wel razend: ‘De baas ziet ons niet als mensen. Zelfs niet als beesten. Voor hem bestaan we gewoon niet.’

De bouw van de afscheidingsmuur heeft joodse industrieparken op de Westbank zoals Nizzane Ha Sjaloom aantrekkelijker gemaakt voor Israëlische zakenmensen, meent Shahieje Jakoeb van het Palestijnse ministerie voor Werkgelegenheid. Door de chronische werkloosheid zijn er veel goedkope arbeidskrachten beschikbaar. Tienduizenden straatarme en vaak slecht opgeleide werklozen wagen hun kans bij joodse werkgevers. De concurrentie is zo groot dat werkgevers zich alles kunnen permitteren – Palestijnen werken onder welke voorwaarden dan ook; beter iets dan niets.

In Nizzane Ha Sjaloom heeft zich intussen een groepje van vijftien andere werknemers om ons heen verzameld. Er wordt gefluisterd en beamend geknikt. We zien geamputeerde vingers, verwondingen aan benen en mensen met ademhalingsproblemen. Als je deze Palestijnen mag geloven, zijn bedrijfsongevallen hier schering en inslag.

Abdelatif Abu Raye, een jongeman met helblauwe ogen, durft wel te praten. Zijn hand werd een paar maanden geleden door een defecte snijmachine in tweeën gesneden. Na het ongeluk wil zijn werkgever hem niet terugnemen en staakte zijn loon. Abu Rayes hand is verlamd. Het ziekenhuis in Tulkarem kan de noodzakelijke operatie niet uitvoeren en hij krijgt geen toestemming om naar een Israëlisch ziekenhuis te gaan.

Abu Raye: ‘Ik krijg geen schadevergoeding en kan door die hand geen ander werk vinden. Mijn advocaat is een rechtszaak in Israël begonnen, maar ik mag Israël niet in.’

Wie zijn verhaal niet meer kan navertellen is Mohammed Aboe Charma. Vijf jaar geleden maakte hij een omheining rond de Rational Systems-fabriek. Men gebruikte vaten chemisch afval om de afrastering te steunen en een van de vaten ontplofte. Mohammed raakte gewond aan zijn hoofd en overleed drie dagen later. Zijn vrouw bleef met acht kinderen en zonder een cent achter. Schadevergoeding of pensioen werden nooit uitgekeerd.

Klokslag half zeven opent de ijzeren deur. De massa wachtenden stroomt naar binnen. Wij rijden naar de andere, ‘Israëlische’ kant van het fabrieksterrein. Een vreemde gewaarwording: hier geen gesloten ijzeren deur en lange rijen wachtenden. Een wat slaperige bewaker bij de ingang groet ons en we mogen zo doorrijden.

Door de hoge omheining ligt Tulkarem buiten ons blikveld en lijkt het of we in Israël zijn. We proberen managers van een van de fabrieken te spreken te krijgen maar komen op één uitzondering na niet verder dan beleefde secretaresses. Gil Letterman, eigenaar van Rational Systems, wil wel praten. Hij nodigt ons uit voor een bezoek aan zijn bedrijf in onderdelen voor printers en medische apparaten. Hij begon 25 jaar geleden in de Israëlische stad Netanya, maar na het uitbreken van de tweede intifada konden zijn Palestijnse werkers Israël niet meer in en dus verplaatste Letterman een deel van zijn activiteiten naar de Palestijnse kant. De locatie is ideaal, de arbeidskosten zijn laag en bijkomend voordeel is dat het een zogenaamde ‘C-zone’ is waar fabrikanten geen arnona (onroerend-goedbelasting en leges) betalen. 

Volgens Letterman zijn er geen problemen met arbeidsomstandigheden. Zijn fabriekshal lijkt dat te bevestigen: de werkplaats is opgeruimd, de werknemers dragen er beschermende kleding. Onze vragen naar het ongeval van Aboe Charma wuift Letterman weg met de opmerking dat dat een freelancer was en het probleem nu juridisch wordt opgelost. ‘Ik heb Palestijnen die hier al 25 jaar werken. En nu werkt zelfs de tweede generatie hier’, legt hij uit. ‘Voor Palestijnen is dit werk een gouden kans. Ik durf er alles om te verwedden dat ze hier meer verdienen dan bij een Palestijnse werkgever in Tulkarem.’

Terwijl meer dan de helft van de Palestijnse bevolking onder de armoedegrens leeft – door internationale organisaties op $ 2,10 per dag gesteld – heeft Lettterman waarschijnlijk gelijk. Palestijnen zijn blij dat ze werk hebben en accepteren veel. De ervaringen van de werknemers in Tulkarem zijn niet uniek. Volgens Salwa Alinat* van de Israëlische organisatie voor werknemersbelangen Kav La Oved wemelt het op de Westbank van de verhalen over onderbetaling en gevaarlijke werkomstandigheden. Alinat leidt sinds 2005 een hulpproject voor Palestijnse werknemers.

'Ik hoorde verhalen over dadelplukkers uit Jericho die op een joodse nederzetting de kost verdienden. Tien uur zonder pauze in de brandende zon, ze mochten zelfs niet naar de wc en verdienden niet eens het minimumloon. Een Palestijnse vrouw die voor een habbekrats de huizen van joodse kolonisten schoonmaakt en in stilte de vernederingen van bewakers ondergaat. Er zijn ook verhalen over Palestijnse koppelbazen aan wie werknemers steekpenningen betalen om uitgebuit te mogen worden.’

Wie heeft hier gelijk? De werkgevers of de werknemers? En gaat het om een structureel probleem of is Nizzane Ha Sjaloom een uitzondering? Met onze Palestijnse gids Zakaria Sadea gaan we op onderzoek uit. We reizen via de industrieterreinen Karnei Shomron, Alfei Menashe en Emmanuel naar Barkan, in het oosten van de Westbank. Overal klinken soortgelijke verhalen.

Barkan, opgericht in 1982, is met naar schatting 120 fabrieken naast Mishor Adumim in het zuiden het grootste industriepark van de Westbank. In totaal vijfduizend werknemers produceren hier plastic, metaal, voedingsmiddelen en textiel. Een deel van die producten gaat naar Nederland en België, blijkt uit een in 2006 gepubliceerd onderzoek van United Civilians for Peace. Zo heeft Unilever een meerderheidsaandeel in zoutjesproducent Beigel & Beigel, Ketter Plastic verkoopt via Allibert tuinmeubelen en badkamerproducten in Nederland en België, en de Hema verkoopt wijn van het merk Barkan.

De meeste fabrieken liggen achter muren en omheiningen. Via de intercom aan de poort trachten we met werkgevers te praten maar we worden bijna overal weggestuurd. Alleen directeur Ronnie Kaufman van een bedrijf in verpakkingsmaterialen wil wel praten. Hij laat zich zwaar in een stoel vallen en gebaart ons aan de andere kant van de tafel plaats te nemen. Het fabrieksterrein mogen we niet op, zegt hij, want we zijn niet verzekerd.

Hij heeft een omzet van zo’n 5 miljoen dollar per jaar, meldt hij trots. ‘We zijn vanuit Bnei Barak bij Tel Aviv naar Barkan verhuisd omdat je hier geen verkeersproblemen hebt.’ Van de twintig werknemers is de helft Palestijns, de helft Israëlisch. Natuurlijk is de relatie met de werknemers goed! roept hij met klem en trommelt een oude Palestijnse man met jaarringen rond de ogen op die dat bevestigt.

Weer buiten gaat het mobieltje van gids Sadea. Een van de werknemers die hem heeft herkend waarschuwt dat de opgetrommelde oude man graag een wit voetje haalt bij de baas. ‘We verdienen hier maar 9 sjekkel per uur en werken tien uur per dag.’

De Palestijnen werken in een juridisch niemandsland, weten experts te melden. ‘Het is een grote chaos’, zegt advocaat Juval Livnat, specialist in arbeidszaken voor Palestijnse werknemers en adviseur van Kav La Oved, ‘niemand weet precies hoe het juridisch zit. De industriegebieden liggen in militaire C-zones, die onder Israëlische jurisdictie vallen. Je zou dus verwachten dat hier Israëlisch arbeidsrecht geldt, maar de arbeidsrechter besloot dat een oude Jordaanse wet van toepassing is – en die geeft Palestijnse werknemers heel beperkte rechten op vakantie, arbeidstijd en veiligheid. Ze hebben wel recht op het Israëlisch minimumloon, maar de overheid slaagt er niet in dit naar behoren te controleren. Ik heb bij de overheid klachten gemeld over valse loonopgaven – de werkgever geeft dan bijvoorbeeld minder dagen op dan de werknemer eigenlijk heeft gewerkt – en gefingeerde loonstrookjes, maar daar wordt niets mee gedaan.’

Dan maar naar de rechter, lijkt de voor de hand liggende oplossing. Maar Palestijnen die dat willen, moeten in Israël vooraf een borgsom bij de rechter deponeren om te garanderen dat ze de proceskosten betalen – en die kan 5000 sjekkel (900 euro) bedragen.

En internationaal recht helpt deze werknemers ook al niet, meent de internationale arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties (ILO), want er bestaat juridische onzekerheid over de vraag of Israël de internationale Arbeidsverdragen ook in de Bezette Gebieden moet toepassen.

Weer terug in Israël rest ons nog één belangrijk gesprek: met de Israëlische civiele administratie voor de Westbank. Het enige orgaan dat kan en moet weten hoe het werkelijk zit, omdat het volgens de staatsrichtlijnen verantwoordelijk is voor het welzijn van de Arabische bevolking op de Westbank. Maar Itzhak Levi, de ambtenaar voor Arbeidszaken, mag ook onze eenvoudige vragen (over het aantal Israëlische bedrijven en Palestijnse werknemers op de Westbank en zijn ervaringen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden) niet beantwoorden.

Perswoordvoerder Tzidki Maman belooft schriftelijk antwoord. Waar we half mei nog steeds op wachten.

Cijfers

Door de bouw van de afscheidingsmuur en de Israëlische afsluitingspolitiek kunnen circa 150.000 Palestijnen die vroeger (wit of zwart) in Israël werkten, het land niet meer in. Tienduizenden boeren zijn door de muur van hun land gescheiden en werkloos. In de Palestijnse gebieden is nauwelijks werk.

De Palestijnse Autoriteit – eens de grootste werkgever voor de Palestijnen – is door de bevriezing van de Europese budgetgelden en de staking van de afdracht van douaneheffingen door Israël praktisch failliet.

Volgens het Palestijnse Centraal Bureau voor de Statistiek lag het werkloosheidscijfer in het vierde kwartaal van 2006 op 28,4 procent. 50 procent van de bevolking bestaat uit kinderen, en kostwinners moeten soms tien gezinsleden onderhouden.

Legaal werken er 18.000 Palestijnen bij Israëliërs op de Westbank. Niemand weet hoeveel Palestijnen er zwart werken.

* Op 17 april 2007 heeft Salwa Alinat tijdens een hoorzitting in Jeruzalem aan een commissie van de ILO (de arbeidsorganisatie van de VN) gerapporteerd over de situatie van Palestijnse werknemers. De commissie heeft aangekondigd in het komende ILO-rapport (dat naar alle VN-lidstaten gaat) melding te maken van de situatie op de Westbank.

Bron: Wordt Vervolgd, maandblad van Amnesty International