logo

Blog: Over 'Israëlische filmfestivals'

08-01-2013 12:28

In december was ik bezoeker van een 'alternatieve' filmdag in Hilversum, waar ook een enkele Israëlische film werd vertoond, die gemaakt was door een Israëlische regisseur, en waarin Israëli’s de hoofdpersonen waren. Toch heette deze dag ‘Palestijnse filmdag’ omdat alle films op een of andere wijze het Israëlisch-Palestijnse conflict tot onderwerp hadden. Naast zo'n 'Palestijnse filmdag', kennen we al langer het 'Israëlische filmfestival', waar soms vergelijkbare films vertoond worden, gemaakt door Israëlische regisseurs, met Israëli’s als hoofdpersoon. Wat is het verschil met 'Hilversum'?

'Israëlische filmfestivals' worden - in diverse landen - nog wel eens medegefinancierd door de Israëlische ambassade ter plaatse. Bedoeling daarvan is Israël als een in alle opzichten 'normaal' Westers land te presenteren, met voor de bezoekers herkenbare politieke, maatschappelijke en menselijke problemen. 'Cultuur' als propagandamiddel. Dat wil niet zeggen dat er op zulke 'festivals' geen ruimte is voor kritische films - films dus zoals in Hilversum werden vertoond -, maar dat feit is daar juist onderdeel van de positionering van Israël als 'normale samenleving'. "Kijk, bij ons kunnen ook kritische films gemaakt worden". Dit wordt ook wel genoemd het 'normaliseren van de bezetting', omdat die als feitencomplex verder 'hors de discussion' staat. De context waarbinnen de film wordt gepresenteerd is zo, dat oorlog en bezetting 'vanzelfsprekend' vertrekpunt zijn. Het is de methode die de tabaksindustrie sinds jaar en dag volgt: speelfilms worden gesubsidieerd, mits er flink in wordt gerookt; elke opmerking over 'roken' is geoorloofd, tot de meest afbrekende aan toe, mits het roken zelf maar als vanzelfsprekende activiteit in beeld gebracht wordt.

 

Daarnaast is er een inhoudelijk aspect aan de Israëlische films dat vragen oproept: niet een - principiële - stellingname tegen bezetting (of oorlog) zelf is thema van de vertoonde film, maar de problemen die Israëli’s hebben met wat zij gedurende het uitoefenen daarvan hebben ervaren. Er is een parallel met veel Amerikaanse films over Vietnam of Irak. Het perspectief dat de kijker aangeboden krijgt is dat van de soldaat, zijn twijfels, angsten, stress, afschuw, wangedrag, trauma’s. Het perspectief van de 'slachtoffers' ontbreekt, zij worden alleen gezien en beschouwd door de ogen van de 'daders'.

 

'Lebanon' is een voorbeeld: de claustrofobische ervaring en desoriëntatie en paranoia van tanksoldaten in oorlog is hier (o.a.) het thema en hoewel er enkele m.i. zeer kritische beelden in de film voorkomen van 'per vergissing' geopend tankvuur, dan wel van de verschrikkelijke gevolgen daarvan, blijft de blikrichting van de kijker die van de tanksoldaat en identificeert hij zich met diens wederwaardigheden. Kort geformuleerd: de kijker rijdt altijd mee met de tank, en ziet hem nooit op zich afkomen of vuren. Ik ga echter niet zover als de bekende kritische Israëlische journalist Gideon Levy, die 'Lebanon' een 'Israëlische propagandafilm' heeft genoemd.

 

Een ander voorbeeld van een - prachtige, gevoelige, invoelend gemaakte - film is ‘To see if I’m smiling’, over de niet kinderachtige ervaringen van een aantal vrouwelijke Israëlische soldaten tijdens hun dienstplicht in de bezette Palestijnse gebieden, en vooral: over de moeizame verwerking daarvan nadien, teruggekeerd in het ‘gewone burgerleven’. De film is weliswaar doorspekt met documentairebeelden, maar ook in deze film, hoezeer ik die ook apprecieer en zelfs bewonder, blijft het perspectief dat van de dader.

 

Een derde, al evenzeer ‘gewaagde’ en kritische film - vertoond op het IDFA - is ‘The Gatekeepers’, interviews met zes voormalige hoofden van de Israëlische binnenlandse veiligheidsdienst, de Shin Beth. In deze film meer nog dan het geval is met de Palestijnen in ‘Lebanon’ en in ‘To see if I’m smiling’ zijn Palestijnen object van het verhaal, en komen zij als - aan ons gelijkwaardig - subject niet voor.

 

Wie een ‘kritisch filmfestival’ wil organiseren kan deze films gebruiken, maar zal daarvoor een andere en principiëlere context moeten aanbrengen (en wordt dan natuurlijk beschuldigd van ‘eenzijdigheid’) en zal de films individueel moeten ‘begeleiden’. Intussen wachten we op de Palestijnse film, om de keerzijde van de medaille, in zijn volle omvang en ‘impact’, te kunnen ‘consumeren’.

 

Tot zolang is juist elk ‘Israëlisch filmfestival’ uit zijn aard ‘eenzijdig’. Maar ga toch de films zelf kijken, zoek bij voorkeur de ‘kritische festivals’, zoals het IDFA, waar vaak discussie met makers mogelijk is, of Movies that Matter van Amnesty International, of de lokale filmdag zoals in Hilversum, of de losse avondvertoning. Versmaad echter ook een 'Israëlisch filmfestival’ niet, als het zo uitkomt en als dat u de gelegenheid geeft kennis te nemen van een film die ondanks zijn inherente beperkingen ook kritische potentie heeft. En laat vooral daar uw stem horen, als het kan.

 

Jaap Hamburger is voorzitter van Een Ander Joods Geluid.