logo

Vredesbesprekingen lijken mislukt. Wie krijgt de schuld?

11-04-2014 09:40

“You can lead a horse to the wadi but you can’t make it drink”. Met de verwijzing naar een oud Arabisch gezegde beschreef de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken John Kerry op 4 april de voorlopige resultaten van de door hem geleidde vredesbesprekingen tussen de Israëlische regering en de Palestijnse Autoriteit. Kerry maakte duidelijk dat de VS er alles aan gedaan hadden partijen bij elkaar te brengen, maar de Israëlische en Palestijnse leiders hadden geen akkoord weten te bereiken. Een teleurgestelde Kerry verzuchtte dat er een grens was aan de hoeveelheid tijd en energie die de VS aan het vredesproces konden besteden. Gebleken was immers dat de partijen zelf niet in staat waren constructieve stappen te nemen. Andere urgente zaken vroegen om aandacht van de Amerikanen: Rusland, Oekraïne, China.

De woorden van Kerry stonden in schril contrast met het scenario dat hij ontvouwde toen hij negen maanden daarvoor aan zijn vredesmissie begon. Kerry was zich er van bewust dat hij de laatste was van een lange reeks bemiddelaars, die alle zonder uitzondering jammerlijk hadden gefaald. Hij wilde het anders aanpakken dan zijn voorgangers. Die hadden geprobeerd partijen het eerst eens te laten worden over globale principes en formele procedures. Pas daarna zouden de controversiële thema’s aan bod komen. Die methode had geleid tot een onoverzienbare stapel van ‘frameworks’ en ‘roadmaps’ en daarmee tot oeverloos woordenspel over begrippen en definities. Maar inhoudelijk had het allemaal niets opgeleverd. Kerry wilde meteen tot de kern doordringen en de heikele vraagstukken direct aan de orde stellen. Bovendien legde hij de onderhandelaars een deadline op. Om te voorkomen dat de onderhandelingen zich eindeloos zouden voorslepen werd afgesproken dat er op 29 april 2014 “a final status agreement” moest zijn bereikt.

Al vrij snel na het begin van de gesprekken werd het duidelijk dat Kerry’s aanpak niet zou werken. Partijen konden het over geen enkel substantieel punt eens worden. Maar er deed zich ook een nieuw obstakel voor. Tijdens het proces eiste de Israëlische premier Netanyahu dat de Palestijnen Israël als “the nation state for the Jewish people” zouden erkennen. Die claim verstoorde het verloop van de onderhandelingen en misschien was dat ook de bedoeling. Opeens ging het weer over een principe waarover men eindeloos kon redetwisten.

Vanuit publicitair oogpunt was de manoeuvre van Netanyahu echter een meesterzet. Voor het grote publiek leek de eis voor de hand liggend: de hele onderhandelingen gingen toch over een tweestatenoplossing bestaande uit een Palestijnse en een Joodse staat? Maar voor de Palestijnen was het zeer gevaarlijk terrein. Door in te stemmen met de formule “Israël als exclusief Joodse natie” werd de schijn gewekt dat de rechten van de Arabische Israëli’s, twintig procent van de Israëlische bevolking, werden opgegeven. Ook de verdrijving van de oorspronkelijke Arabische inwoners van het huidige Israël zou erdoor worden gelegitimeerd. Bovendien was in het vredesverdrag met Egypte en Jordanië niets vastgelegd over het Joodse karakter van Israël. Waarom zouden de Palestijnen dat dan wel moeten doen? Voor de Palestijnen was de eis van de erkenning van Israël als een staat voor joden onaanvaardbaar en Netanyahu wist dat.

Het Palestijnse nee gaf de Israëlische regering het voorwendsel om de onderhandelingen te laten ontsporen en de Palestijnen daarvan de schuld te geven. Plotseling weigerden de Israëli’s een eerder akkoord over de vrijlating van Palestijnse gevangenen volledig uit te voeren. Het leidde tot een serie van acties en tegenacties die de sfeer verder vergiftigden. Het Palestijnse antwoord op de Israëlische schending van afspraken over de gevangenen was het verzoek tot toelating tot vijftien VN organisaties, waarna Israël de bouw van nieuwe nederzettingen aankondigde. Voor de Israëlische regering was de hele gang van zaken het zoveelste voorbeeld van de onbetrouwbaarheid van de Palestijnen. Zoals minister Yuval Steinitz het uitdrukte: “De Palestijnse president Mahmoud Abbas spuugt in ons gezicht, hij maakt duidelijk dat hij niet geïnteresseerd is in vrede, dat hij het bestaan van het Joodse volk niet wil erkennen en nu sluit hij de onderhandelingen”. Maar al het Israëlische verbale geweld kon niet verhullen dat de Israëli’s in de eerste plaats verantwoordelijk waren voor de crisis in de onderhandelingen. De toelichting van Kerry in de Amerikaanse Senaat liet daarover geen twijfel bestaan. "The prisoners were not released by Israel on the day they were supposed to be released and then another day passed and another day - and then 700 units were approved in Jerusalem”. Die verklaring leidde weer tot heftige commotie in Israëlische regeringskringen, waar men sowieso niet is gediend van kritiek op Israëlisch beleid, ook niet van de Amerikaanse bondgenoot. De regeringswoordvoerder kapittelde Kerry vanwege het feit dat “zijn opmerkingen de onderhandelingen zullen schaden en de Palestijnse posities zullen verharden.” Waarna Kerry inbond en verklaarde: “Our relationship with Israel, as everybody knows, is a historic and deep one. We remain totally committed to the security of Israel." De Israëli’s kunnen zich kennelijk nog steeds veel permitteren. 

Bas Levinsohn studeerde sociologie, politicologie en geschiedenis en werkte onder meer als universitair docent aan de Universiteit Utrecht.