logo

Gastblog: De waarheid onder ogen

24-08-2015 15:32

Die opa en die oma
Een Jood hadden ze nog nooit gezien. Johans opa en oma daar op hun boerderijtje in het Drentse veen. Wel wisten zij van ‘G’ds oogappel’. Dominee had het er weleens over in zijn preek “want die u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan”. En daar stonden ze ineens. Een kleine man met een bruine koffer, een iets grotere vrouw in een donkere mantel en een klein jongetje. “Meneer, u kent ons niet maar wij zijn op de vlucht. Wij hadden ergens onderdak maar moesten daar halsoverkop vertrekken.” Opa zag op de jas van de man en de vrouw een gele ster genaaid met daarop het woord ‘Jood’. Dit zijn ze dus, die opgejaagde Joden die door de NSB’ers van huis worden opgehaald. Ook daar heeft dominee het zondag in de preek over gehad. Opa liet de man niet uitspreken. “Kom binnen man, voordat ze je oppakken.” En zo vonden Benno Heimans, Rosa Heimans en hun kleine Barendje voor de laatste anderhalf jaar van de oorlog een gastvrij onderdak op de boerderij van mijn opa en oma. Of Benno en Rosa echt G’ds oogappel waren, daarover konden opa en oma het niet eens worden. De onderduikers lazen nooit uit de Bijbel. Voor het eten vroegen ze nooit een zegen en na het eten dankten ze nooit. Zijn opa en oma hadden wel eens gehoord dat Joden geen varkensvlees aten maar Benno, Rosa en de kleine aten, wanneer er weer eens een big was geslacht, gewoon mee.

De oorlog was afgelopen. Zo nu en dan kwamen Benno en Rosa nog wel eens langs. Ze wilden de opa en oma bedanken. Maar dat vonden de eenvoudige boer en boerin volstrekt overbodig. Ze hadden gewoon gedaan wat ze vonden dat een mens moet doen wanneer de medemens in nood verkeert. En zeker wanneer het om Zijn oogappel ging.

De familie Heimans was niet de enige familie die in de oorlog bij zijn grootouders woonde. Johan had een tante, die kwam uit Putten. Zij was niet alleen getuige maar ook slachtoffer van die dramatische geschiedenis in dat dorp op de Veluwe waarbij de Duitse bezetter begin oktober 1944 veel woningen plat brandde en honderden Puttenaren in de Kerk, de nabij gelegen school en de eierhal opsloot om de meesten daarvan naar concentratiekampen in Duitsland te deporteren. Nadat haar vader op de trein was gezet naar het concentratiekamp trok de tante met haar moeder, zonder huis en zonder vader, bij zijn opa en oma in.

Het Beloofde Land
Jaren zijn voorbij gegaan. De opa en oma zijn allang overleden. De boerderij is verkocht. Johan’s moeder, die nu in het westen van het land woont, vertelt nog wel eens over die Jodenmensen die zij bij opa en oma in huis hadden in de oorlog. Op kerstmis kwam er altijd nog een kaartje van Benno en Rosa.

De Joden kregen een eigen nationaal tehuis. De staat Israël werd opgericht. De dappere Joden slaagden er, keer op keer, in de vijanden buiten de grenzen te houden. De Palestijnen die in die vluchtelingenkampen terecht kwamen hadden het allemaal aan zichzelf te danken. Dan hadden ze maar niet zo vijandig moeten zijn tegen de Joden in het land dat hen door de Heer gegeven werd na honderden jaren ballingschap. En dan die Palestijnen op de Westbank en in Gaza, deze hebben het toch een stuk beter dan toen ze nog bij Jordanië of Egypte behoorden? Waarom zouden ze zich moeten bevrijden van de Israëliërs? Het zijn toch allemaal terroristen die zich op een afschuwelijke manier schuldig maken aan terrorisme en oorlogsmisdaden.

Zijn moeder is nu oud. Benno en Rosa zijn allang overleden. Hun zoon Barend is jaren geleden geïmmigreerd. Moeder praat nog veel over die tijd. “Die Joden waren beste mensen maar aan geloof deden ze niets. Gek toch eigenlijk voor Zijn oogappel?” Ze haalt haar schouders op. “Ach, de Heer weet wel hoe het in elkaar steekt. Daar hoeft een mens zich het hoofd niet over te breken.”

Johan is anders dan zijn moeder. En ook anders dan zijn opa en oma. Hij breekt zijn hoofd wel over dingen. Hij leest over de verovering van de Israëliërs, tijdens de oorlog direct na de oprichting van de Joodse Staat in 1948, van de stad Lydda. Over en weer vallen er vele doden en gewonden. Johan leest over een grote moskee, een kleine moskee en een kerk in Lydda waar duizenden burgers bijeen worden gedreven en daar worden vastgehouden. De kleine moskee wordt met een antitankgranaat bestookt. Tweehonderd burgers daarbinnen worden gedood. Beelden van het verhaal van zijn tante komen naar boven. Burgers opsluiten in een moskee door Israëliërs? Door Joden? Honderden burgers werden ooit door SS’ers in Putten in de kerk opgesloten.

Er wordt in Lydda onderhandeld tussen de Palestijnse bestuurders van de stad en de militaire gouverneur van de Israëliërs. De volgende dag is het zover. Rond het middaguur komt de massale evacuatie op gang. In een lange colonne verlaten 35.000 Palestijnen de stad. Zij vertrekken in oostelijke richting. De Palestijnse stad Lydda bestaat niet meer.

Johan ziet het beeld van de Puttenaren die door de SS’ers worden gedeporteerd. Dat waren de Duitsers, dit zijn de Joden. Hij voelt zich verward. Benno en Rosa Heiman hoefden hun zin toen ze op de vlucht waren niet af te maken. Zijn opa zei: “Kom binnen man, voordat ze je vinden”. En daarna? Nog geen drie jaar nadat de Joden hier weer op straat mochten lopen, nog geen drie jaar dat die weinige Joden terugkwamen uit die vreselijke kampen, worden er in de nieuwe Joodse Staat vreselijke dingen gedaan die niet bij G’ds oogappel zouden horen.

Hij weet het. Dit stuk geschiedenis is jaren onzichtbaar gebleven. En nog steeds wordt het voor niet mogelijk gehouden. Maar die Israëlische schrijver Ari Shavit in het boek Mijn Beloofde Land, die het allemaal heeft vastgelegd, houdt die de wereld dan voor de gek?

Nee, oorlog is oorlog. Geen enkel land, geen enkel volk, waar ook ter wereld kan zichzelf vrijpleiten van grote misstappen die tegen over de vijand, tegenover burgers in het oorlogsgebied, worden begaan. Oorlog is oorlog. Geweld is geweld. Normen gaan ten onder, menselijke moraal verdwijnt in de afgrond van de oorlog. Ook bij de Joden.

Maar dan is de oorlog op een dag voorbij. Er komt vrede. Volkeren die elkaar geen leven gunden in G’ds wereld slagen er in om samen te gaan werken aan een betere wereld. Is daar dan alles mee gezegd? Nee, er ligt nog steeds die geschiedenis. Een vredesverdrag zal nooit compleet zijn wanneer de geschiedenis geen recht wordt gedaan door in openheid en eerlijkheid zichtbaar te maken wat er allemaal is aangericht.

Ik hoor Johan’s tante vertellen over de volgepakte kerk van gevangen mannen op die zondag in Putten. Ik zie de beelden voor mij van die volgepakte moskee in Lydda, voordat de 35.000 Palestijnse vluchtelingen op weg gingen.

Komt er ooit vrede tussen Israëliërs en Palestijnen? Tussen de Joodse bewoner en de islamitische en christelijke Palestijn? Er kan vrede komen. Maar dan moet wel die ene voorwaarde worden vervuld om de waarheid van de geschiedenis eerlijk, oprecht, zonder voorbehoud onder ogen te zien. Niet alleen kan er dan vrede komen. Dan zal er ook vrede komen.

Ontstaat kritiek op Joden om Israël vanwege antisemitisme? Vanwege gebrek aan kennis? Vanwege een weggestopte geschiedenis die wij als Joodse gemeenschap nog steeds niet goed onder ogen durven te zien? Het antwoord zal niet eensluidend zijn.

Wel is het zo, door achterom te kijken, door te durven zien waar het lot van de geschiedenis ons ook op negatieve wijze heeft gebracht, hoeven we het woord ‘antisemitisme’ veel minder te hanteren. Het woord kan terug voor wat en voor wie het werkelijk bedoeld is. De stap naar vrede is niet het inzetten van ‘antisemitisme’. De stap is wel een eerlijke terugblik op de geschiedenis. Met die stap blijven wij de kritiek altijd stappen voor. En die stap hebben Johans opa en oma verdiend.

Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Dit blog is ook gepubliceerd op nieuwwij.nl.